Minister Bruno Bruins (VVD) maakt de aankomende drie jaar dertig miljoen euro vrij voor lokale sportakkoorden. Dat maakte hij ongeveer een maand geleden bekend. Lokale sportakkoorden moeten aansluiten op het nationale sportakkoord dat gesloten is in juni. 

Fijn dat er geld komt voor zulke akkoorden, maar wat is een lokaal sportakkoord eigenlijk? We belden met André de Jeu, directeur van de Vereniging Sport en Gemeenten. Hij legt ook uit wat er in een akkoord kan staan.

De Vereniging Sport en Gemeenten is de landelijke koepel van de Nederlandse gemeenten op het gebied van sport. De organisatie is medeverantwoordelijk voor het opstellen van het landelijke sportakkoord. De vereniging faciliteert en begeleidt het proces om lokale sportakkoorden op te stellen.

Het doel van een lokaal sportakkoord is dus om partijen die er in een gemeente zijn met elkaar te verbinden. De Jeu: “Het zijn geen contracten maar afspraken waarmee de partijen zeggen waar ze met elkaar aan gaan werken.” Als resultaat van een akkoord kunnen bijvoorbeeld accommodaties die op bepaalde momenten leegstaan, worden gebruikt door een andere partij in de buurt zoals een school of zorginstelling.

Minister Bruins, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt: “Sporten en bewegen is van grote waarde voor iedere Nederlander. Voor lol in sport hebben we iedereen nodig en is het belangrijk dat sportaanbieders, gemeenten en partijen uit de zorg-, welzijn en onderwijssector er samen de schouders onder gaan zetten.”

In Nederland sport volgens het Sociaal Cultureel Planbureau 57% van de Nederlanders wekelijks. Gezondheid is volgens de rapportage de belangrijkste reden om te gaan sporten. In totaal zijn iets meer dan 5 miljoen mensen aangesloten bij een sportbond, waarvan de meeste bij de KNVB.

Nationaal Sportakkoord

Het Nationaal Sportakkoord werd in juni vorig jaar gesloten. In dit akkoord staan afspraken zodat iedereen kan sporten, dat sport nog lang blijft bestaan (toekomstbestendig is) en dat sport leuk en veilig moeten zijn. Om die doelen te bereiken kwamen er meer buurtsportcoaches, werd de vrijwilligersvergoeding met 200 euro verhoogd en kwam er 87 miljoen euro extra voor subsidies voor sportverenigingen. In totaal besteedt het ministerie hier 400 miljoen euro aan.

Om deze doelen te bereiken gaat de minister nog drie andere acties ondernemen. Ten eerste worden bestuurders en trainers opgeleid om sportclubs te versterken en vitaler te maken. Daarnaast worden er verschillende nationale projecten opgezet zoals campagnes om sport en bewegen inclusiever te maken. Tot slot moedigt de minister gemeenten dus aan om lokale sportakkoorden te sluiten.

Om ervoor te zorgen dat deze akkoorden worden gemaakt en uitgevoerd maakt de minister geld vrij. Gemeentes die nog geen akkoord hebben kunnen 15.000 euro aanvragen voor een sportformateur: iemand die de lokale partijen samenbrengt om een akkoord op te stellen. Plaatsen die al wel een akkoord hebben ondertekend kunnen geld krijgen om dit ook daadwerkelijk uit te voeren.

Samenwerking

In een lokaal sportakkoord staat dus hoe doelen moeten worden bereikt. Een voorbeeld is een samenwerking tussen basisscholen, gemeenten en sportaanbieders om motorische testen af te nemen bij kinderen. De Jeu legt dit uit: “Het is interessant om vroeg te weten welke kinderen hun motorische vaardigheden niet zo goed ontwikkelen, omdat deze kinderen later problemen kunnen krijgen met bijvoorbeeld hun gezondheid.”

Doordat verschillende partijen bij elkaar gaan zitten, hoopt Bruno Bruins ook dat er andere samenwerkingsverbanden ontstaan. De Jeu: “We zien het op tal van plekken al gebeuren: we zetten verschillende partijen bij elkaar, en dat kunnen zelfs sportclubs op hetzelfde terrein zijn, die elkaar dan beter leren kennen. In andere sectoren kan zo’n samenwerking ook ontstaan. Het is verbazingwekkend hoe snel dat gaat.”

De gemeente Noordwijk doet het volgens De Jeu al erg goed op weg: “Zij doen het ongelooflijk goed bij het verbinden van zorg en gezondheid. Maar de gemeente Amsterdam en Rotterdam kunnen dit niet zomaar overnemen omdat zij hele andere problemen hebben.” Elke gemeente moet daarom zelf een akkoord maken, legt De Jeu uit: “Je kan wel zeggen dat er een bepaald aantal ingrediënten hetzelfde zijn zoals de bezettingsgraad bij sportclubs. Maar als je het hebt over sport en bewegen in de openbare ruimte, zoals fietsen wandelen en hardlopen, dan zijn er lokaal wel verschillen. In Drenthe speelt misschien de vraag welke voorzieningen in stand moeten worden gehouden. Terwijl in Amsterdam de prijs voor een voetbalveld heel hoog kan zijn door de dure grond. Er zijn dus hele andere vraagstukken per gebied.”