IJshockey in Nederland groeit lichtelijk, toch zijn er genoeg kanttekeningen te plaatsen bij de hyperactieve sport die velen buiten onze landsgrenzen het hart sneller doen kloppen. Hoe komt het dat deze sport in Nederland toch niet echt van de grond komt, ondanks de ijscultuur? 

Volgens Theo van Gerwen, ‘Sports Director’ bij IJshockey Nederland, is het aantal ijsbanen een grote factor. “Om te beginnen heeft Nederland een heel klein aantal ijsbanen, die ook nog eens voor veel verschillende sporten worden gebruikt, zoals kunstschaatsen, curling, shorttrack en uiteraard langebaanschaatsen”, vertelt Van Gerwen. “Daardoor hebben ijshockeyclubs ook heel weinig tijd om gebruik te maken van het ijs, waardoor op een gegeven moment gewoon een halt toegeroepen moet worden op het aannemen van leden.”

Om het in perspectief te zetten: een stad als Rotterdam heeft nul ijsbanen. Quebec City, in Canada, een stad iets groter dan Rotterdam heeft 52 ijsbanen. Deze zijn constant volgeboekt, vrijwel alleen maar met ijshockeyclubs.

Volgens Igor van der Ley, ijshockeyer bij de Twente Bluecaps, is reizen ook iets wat niet onderschat moet worden. “Het is niet zoals bij voetbal, dat je in een stad als Enschede 15 clubs of iets dergelijks hebt. Je moet naar Leiden, Utrecht, Geleen, etc. Dat is buiten de financiële investering ook een flinke tijdsinvestering.”

Maar de positieve kanten mogen ook belicht worden, betoogt Van Gerwen. “Het aantal mensen op de tribune groeit. Er zijn bij de eredivisie al gauw duizend tot vijftienhonderd man op de tribune, en bij de Tilburg Trappers, die in de Duitse ‘Oberliga’ spelen, zeker drieduizend man. Dit is een enorme stijging.”

“Ouders zijn in mijn ervaring ook direct superenthousiast als ze ijshockey voor het eerst zien, wat helpt om kinderen bij de sport te houden. Koop ook slim, kijk naar tweedehands bijvoorbeeld, dat maakt het toch een stuk betaalbaarder”, aldus Van Gerwen.