Je hoort het nog steeds in elke wedstrijd: gefluit, geschreeuw, gescheld tegen spelers, trainers of scheidsrechters. Ook al zijn er talloze campagnes gevoerd tegen dit probleem, het lijkt niet te voorkomen. ‘’Als mijn team onrecht wordt aangedaan, kan ik me gewoon niet inhouden’’, aldus voetbalsupporter Max Schuurmans.

Het is een structureel probleem, en ik, de schrijver van dit stuk, herken dat als geen ander. Zelf ben ik elke week supporter in een stadion, een aantal keer scheidsrechter in het jaar en speel zelf elke zaterdag voetbal. Élke wedstrijd is het weer raak, het geschreeuw en gescheld vliegt je om de oren en zelf ben ik daar ook schuldig aan. Als speler kan je het vaak niet laten om even ‘Hé scheids’ op te gooien als je neer wordt gehaald en op de tribune kan ik me hardop dood ergeren aan acties van de spelers. Ik weet dat ik nog een mild geval ben, maar om me heen zie ik andere gevallen.

Bijvoorbeeld Max Schuurmans, die supporter is van een betaald voetbalclub. Elke week zit hij in het stadion, zijn team te steunen. Dat doet hij met hart en ziel, maar dat kan soms ook veel te ver gaan. Dat beaamt hij ook. ‘’Ik weet dat ik soms dingen zeg die eigenlijk niet horen, en dat neem ik mezelf ook kwalijk’’, begint hij. ‘’Het ding is gewoon; ik kan niet tegen onrecht. Als mij in het dagelijks leven onrecht wordt aangedaan, reageer ik ook boos en geïrriteerd. Op de tribune is dat niet anders.’’ Op de vraag of hij wel doorheeft wat het kan doen met de spelers of scheidsrechters, antwoordt hij: ‘’Het is misschien raar om te zeggen, maar als je dat vak kiest, weet je dat je gezeur over je heen krijgt. Dat is nou eenmaal hoe het is, dat hoort bij je werk. Ik denk dat ze een behoorlijke huid hebben inmiddels, hoor!’’

Of dat echt zo is, valt te betwijfelen. Het is in ieder geval goed om het na te vragen aan een ervaringsdeskundige in de naam van Bert Jansen. Bert is al jarenlang scheidsrechter bij zijn plaatselijke voetbalclub en weet als geen ander hoe het is om onheus bejegend te worden. ‘’Het is natuurlijk verschrikkelijk als je uit wordt gescholden of gefloten, laten we dat voorop stellen’’, aldus Bert. ‘’Waar mensen niet over nadenken is dat er zonder mij geen wedstrijd wordt gespeeld, ik sta hier om alle klappen op te vangen.’’ Toch heeft Bert wel begrip voor fanatisme in de sport. ‘’Ik ben vroeger ook gewoon voetballer geweest’’, vertelt hij. ‘’Vroeger deed ik net zo goed mee, dat zal ik altijd eerlijk toegeven. Toen had ik nog geen benul hoe dat voor de ander zou zijn, best egoïstisch als ik er zo op terugkijk.’’

Het is natuurlijk ook egoïsme, je denkt puur en alleen aan jezelf. Daar ligt misschien wel het probleem. Maar hoe kunnen we dit probleem oplossen? ‘’Het probleem kan verholpen worden als je de spelers zelf laat voelen hoe het is om in mijn positie te staan’’, vindt Bert. ‘’Laat die spelertjes een keer een wedstrijdje fluiten. Een jongen van 16 kan makkelijk een potje op een half veld fluiten.’’ Volgens Bert kan je niet vroeg genoeg beginnen met fluiten. ‘’Je zou het bijna verplicht moeten stellen! Anders hebben ze niet door wat het doet om geschreeuw over je heen te krijgen. Ze worden er bewuster van en dat is altijd goed.’’

Als ik aan Max vraag wat hij van dit idee vindt, reageert hij enthousiaster dan ik dacht. ‘’Voor mij is het te laat, ik zit inmiddels niet meer op voetbal’’, vertelt Max. ‘’Maar ik weet zeker dat het had geholpen als ik de mogelijkheid had. Het is natuurlijk ook een stukje bewustwording: ik ben me er nooit bewust van geweest hoe het voor de scheidsrechter zou zijn. Je bent alleen maar met bezig om je eigen hachje te redden, de scheidsrechter proberen te manipuleren.’’

Gelukkig zijn er genoeg voetbalclubs die een beleid hebben naar de wens van Bert Jansen, maar dit is nog niet overal verplicht. Tot die tijd moeten we eerst maar naar onszelf gaan kijken, iets waar Max al mee bezig is. ‘’Ik ga er echt op letten’’, zijn z’n hoopvolle woorden.