De Europese Parlementsverkiezing is een verkiezing die in Nederland niet zo populair zijn als we naar de statistieken kijken. In 2014 was er een opkomst van 37 procent. Hoe kan het eigenlijk dat we als Nederlanders minder naar de stembus gaan als het Europa betreft?

Eerst eens een kijkje naar het totaal plaatje, want hoe zit de Europese parlementsverkiezing nou in elkaar? Om de vijf jaar worden ze gehouden. De Europese Parlementsverkiezing vond voor het eerst plaats in 1979. In dat jaar bestond het Europees Parlement nog uit 410 leden, afkomstig uit 9 Europese lidstaten. Inmiddels zijn dit 751 zetels (750 leden plus één voorzitter) uit 28 lidstaten. Uit iedere lidstaat is een vast aantal parlementariërs afkomstig, dit is afhankelijk van het aantal inwoners. 26 Europarlementariërs vertegenwoordigen de Nederlandse EU-burgers. Je stemt niet op een Nederlandse partij, maar op een Europese partij. Dus je stemt op een partij waar iemand van het CDA bijvoorbeeld met andere landen één partij vormen met dezelfde denkwijze. Dit is meestal met minimaal vijf andere lidstaten.

Hoewel het simpel lijkt is dat het zeker niet volgens docent aan de Hogeschool Utrecht, Arie de Jongh. ‘’Er is nog een kenniskloof wat betreft het onderwerp ‘Europa’. Europa is lang weggeweest en is eigenlijk sinds de jaren negentig pas zichtbaar, dat zie je ook terug in de lage opkomstpercentage.” Als je nu ook naar buiten gaat en je vraagt vijf mensen om vijf Nederlandse Europarlementariërs op te noemen, dan weet niemand dat gok ik, aldus de Jongh.

Arie de Jongh ging verder in gesprek met verslaggever Dimitri van Tuijl om te kijken of de geringe hoeveelheid stemmen misschien in verband zou staan met hoe eurosceptisch Nederland is. 

‘’Brussel zit vaak achter veel technische zaken en wat er precies in die stad besproken wordt, dat is een deel waar veel mensen vrijwel niets over weten en dat is ook een oorzaak waarom er minder mensen op af komen”, aldus de Jongh. “Hierdoor is ook de aandacht vanuit de media minder en zo weten minder mensen erover” vertelt de Jongh. Maar de aandacht wordt wel groter dan vijf jaar daarvoor, omdat meer mensen eurosceptisch worden. Neem migratie als voorbeeld: de PVV wil de grens dicht hebben, maar dat kan niet door het verdrag van Schengen uit 1985. Hierdoor zegt de PVV dat Europa gevaarlijk kan zijn door de migratiestroom en gaan steeds meer mensen met interesse naar Europa kijken en stemmen. Dat stemmen is dan niet per se vóór Europa, maar dus ook tegen Europa. Zo suggereert de Jongh.

Invloed vanuit Rusland

Over een halfjaar zijn er weer verkiezingen, maar dit baat wat zorgen bij Brussel. Zo wordt er gevreesd dat er sprake gaat zijn van inmenging met desinformatie. De grootste angst gaat uit naar Rusland. ”Er komt een ‘snel-waarschuwingssysteem’, dat nepnieuws en andere vormen van oneigenlijke inmenging meteen moet herkennen en beantwoorden. Techbedrijven als Google, Twitter en Facebook moeten op weg naar de Europese verkiezingen elke maand een voortgangsrapport afgeven over hun strijd tegen nepnieuws op hun platforms’’, zo meldt de Volkskrant. Dit lanceerde de Europese Commissie uit angst voor de verspreiding fake-news vanuit Rusland. In Brussel en in andere hoofdsteden wordt in dit verband de Brexit en de verkiezing van Trump als belangrijkste voorbeelden genoemd van mogelijke inmenging van buitenaf. Maar nu zit de schrik er dus ook in voor de volgende verkiezing van het Europees Parlement. ‘’Het is makkelijk om deze mensen te beïnvloeden omdat er veel onbekend is wat betreft Europa. De verantwoordelijkheid ligt wel deels bij de Nederlandse overheid, maar Europa moet meer uitleg geven over het Europese stelsel om bijvoorbeeld deze inmenging te voorkomen’’, aldus de Jongh.