Dhaka, Bangladesh. Het is 23 april 2013, 07:45. Meer dan 2000 medewerkers melden zich bij textielfabriek Rana Plaza. Een kwartier later gaat de bel af; de tien uur durende werkdag is begonnen. Niet veel later worden er drie scheuren in steunpilaren van gewapend beton gevonden. De gemeente stuurt een ingenieur en verklaart het gebouw onveilig. Iedereen wordt naar huis gestuurd. Kort daarop wordt de fabriek nog eens gecontroleerd en zijn de scheuren minder gevaarlijk geworden. Het personeel wordt weer opgetrommeld. Ze zijn bang, maar als ze niet komen, worden ze niet betaald.

Op 24 april zijn er ruim drieduizend werknemers in het acht verdiepingen hoge gebouwencomplex aanwezig. Dit zijn zowel bank-, en winkelmedewerkers van de onderste verdieping als textielmedewerkers van de bovengelegen fabrieken. Vlak nadat de machines gestart zijn begeeft een steunpilaar het. Het hele gebouw, op de eerste verdieping na, stort in. Buitenlandcorrespondent Jason Burke van The Guardian reconstrueerde deze tragedie. Vanwege de omvang wordt het ook wel de “grootste” en “ergste” ramp ooit genoemd. “Meer dan 1100 mensen kwamen om het leven”, aldus fair fashion journalist Emy Demkes. Kinderen, mannen, maar voornamelijk jonge vrouwen worden bedolven onder het puin. Dit zijn de mensen die jouw Benetton, Mango, Primark, Zara en C&A kleding in elkaar zetten.

“Voor deze ramp zijn er nog zeven soortgelijke rampen geweest. Sinds een jaar of zes hebben mensen in ontwikkelingslanden ook een smartphone. Door die filmpjes kon het nieuws niet om deze ramp heen.” Circulaire mode- en textielexpert Roosmarie Ruigrok ziet dit als een wake-up call voor de kledingconsument. “Er gebeuren zoveel van dit soort ongelukken in de kledingindustrie, maar de meeste mensen weten dat niet. Ook omdat wij in Nederland geen kleding meer maken, maar toen wij nog echt een textielindustrie hadden, gebeurden er hier ook ongelukken.”

FAST FASHION

Volgens United Nations Economic Commission for Europe is de mode-industrie in het begin van de 21eeuw enorm gegroeid. De sector biedt werk aan meer dan 75 miljoen mensen wereldwijd en is goed voor zo’n 2,5 biljoen dollar, want we kopen er met z’n allen lekker op los. Tussen 2000 en 2014 is de kledingproductie verdubbeld en we kopen 60% meer kleding dan vijftien jaar geleden. Uit onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam naar de Nederlandse kledingkast, blijkt dat die behoorlijk vol hangt. We hebben namelijk 173 kledingstukken hangen, waarvan we er 50 niet dragen. Jaarlijks vullen we deze kast nog eens aan met zo’n 46 items en doen we er afstand van 40. Dat laatste doen we trouwens een stuk sneller dan vijftien jaar geleden. Sommige kledingstukken worden naar schatting na slechts zeven tot tien weken weggegooid. Echte fast fashion dus.

Binnen de kortste keren weten winkelketens de schappen op zo’n manier te vullen, dat je er altijd volgens de laatste trends bij loopt. Vooral Zara is rap en wisselt de collecties graag af. Inditex, het Spaanse moederbedrijf van onder andere Zara, Massimo Dutti, Bershka en Pull&Bear, produceert dichtbij het hoofdkantoor. Zij produceren in eigen fabrieken waardoor er sprake is van zogenaamde verticale integratie. De lijntjes zijn korter waardoor er sneller op de behoefte van de consument kan worden gereageerd. 57% van de fabrieken bevindt zich in Spanje, Portugal, Marokko en Turkije. Omdat het product niet helemaal per containerschip vanuit China of het Verre Oosten naar Europa hoeft te komen, zijn ze in staat om 25 dagen na een modeshow de designer kopies in de winkel te hebben.

Zo snel als het er hangt, is het er ook weer weg. De traditionele grote voor- en najaarscollecties worden opgesplitst in kleinere collecties. Elke twee à drie weken zijn er nieuwe items te vinden. Ruigrok noemt dit “belachelijk”. “Hiermee wordt de consument verleid tot het doen van een nieuwe aankoop, zodat de keten nog rijker wordt. Bovendien: waarom heb je drie winterjassen in je kast? En hoeveel schoenen heb je nodig? Laatst in het postkantoor stond er een enorme rij met mensen die allemaal hun Wehkamp en Zalando pakket terug kwamen brengen. Ik wilde het eigenlijk filmen, zo verbaasd was ik. Volgens de medewerker ‘was dit nog niks’. De waarde van kleding is er niet meer.” Daarnaast worden Zara winkels elke twee weken met kleine hoeveelheden bevoorraad, in plaats van om de twaalf weken een grote hoeveelheid. Grote magazijnen zijn daardoor niet nodig.

VERVUILING TEGENGAAN

Allemaal leuk en aardig dat we van die modebewuste mensen zijn die er volgens de laatste trends bij willen lopen, maar dat vraagt nogal wat van het milieu. Om maar even wat te noemen: de textielindustrie is verantwoordelijk voor ongeveer 20% van de wereldwijde waterverspilling, 10% van de CO2-uitstoot, en doet een flinke duit in het plastic soep zakje. De textielindustrie is dan ook op de olie-industrie na de meest vervuilende industrie. Naast de milieugevolgen zijn er ook grenzen aan het vermogen van Moeder Natuur. De afgelopen honderd jaar is de wereldbevolking verviervoudigd en dit blijft groeien. Naar verwachting zijn we in 2050 met negen miljard mensen op deze aardbol. De behoefte aan grondstoffen neemt toe, maar helaas rekt de aarde niet mee.

Hoe moet dit verder? De Rijksoverheid wil dat Nederland in 2050 een circulaire economie is. Er is dan geen afval meer, doordat producten efficiënter ontworpen worden en materialen en afval hergebruikt worden. Op deze manier besparen we grondstoffen, energie en verminderen we de CO2 –uitstoot. In september 2016 is daarvoor een Rijksbreed programmaopgesteld: Nederland Circulair in 2050. Het eerste doel staat voor 2030 en richt zich op het halveren van het verbruik van primaire grondstoffen als mineraal, fossiel en metalen. In januari 2017 is daar het Grondstoffenakkoordaan toegevoegd. Meer dan 325 bedrijven, vakbonden, overheden, natuur- en milieuorganisaties, kennisinstituten, financiële instellingen en vele andere maatschappelijke organisaties hebben dit ondertekend.

Vanuit de modesector wordt er druk geresearcht en gezocht naar duurzame en circulaire oplossingen. Wageningen University & Research heeft een jas van ananasleer, een schimmeljurk en schoenen van paddenstoelenleer ontwikkeld en dat is nog niet alles. Een nieuwe innovatie is ook cellulose winnen uit sinaasappelpulp. Orange Fiber van de Italiaanse Adriana Santanocito en Enrica Arena doet dit. Nu is het meer een alternatieve afvalverwerkingsmethode. “Op Sicilië is een sinaasappel overschot. In verband met de Europese quota is het niet altijd mogelijk om (alles) te exporteren. Met sinaasappelen wordt verder niks gedaan waardoor er kuilen worden gegraven om ze in te dumpen. De dames vroegen zich af of ze niet iets anders ermee konden doen en toen ontstond dit idee.” Er is één stof voor het exclusieve Italiaanse modehuis Ferragamo gemaakt, maar voorlopig zal dat ook de enige plek zijn waar je sinaasappelkleding kan kopen. “Degene die dat proces heeft ontwikkeld heeft recept in hand handen en wil het niet verder verspreiden.”

Of dit alternatief ook echt duurzaam is, durft Ruigrok niet te voorspellen. “Kijk naar plastic. Dat is ontwikkeld als duurzaam alternatief voor ivoren biljardballen. Het was toen voor een zo lang mogelijk gebruik. Nu wordt plastic fout gebruikt, voor single use producten als rietjes en wegwerpbestek.”

Maar er zijn meer cellulose bronnen zoals algen en rottende appels, maar ook katoen kan weer terug worden gebracht tot cellulose. Dat laatste lukt bij Saxcell en in Finland doen ze er verder onderzoek naar. “Het is beter dan nieuw katoen gebruiken en kleurstoffen hechten veel sneller, alleen kost één meter nog zo’n 10.000 euro. Het staat dus echt nog in de kinderschoenen”, aldus Ruigrok.

Toch is oude kleding recyclen niet de optimale oplossing. “Left overs worden met de hand geselecteerd. Eerst worden ze op kleur gesorteerd, daarna wordt er naar de samenstelling gekeken.” En laat die samenstelling nou net een probleem zijn. Ruigrok: “Kledingstukken die 100% nylon, wol of katoen zijn, zijn geen probleem, maar 90% van de kleding bestaat uit gemengde materialen. Kijk maar eens in je kledingkast hoeveel verschillende materialen op de labels staan.” Zelfs dan kan je er niet van uitgaan dat wat erop het etiket staat, er ook echt in zit. “De kledingindustrie heeft te maken met quota’s. Als het quota voor kleding van katoen met polyester vol is, maar er nog wel ruimte voor katoen met polyester en zijde is, wordt er gewoon zo’n label ingezet.”

Dat de meeste consumenten sceptisch zijn tegenover kledingduurzaamheid lijkt dus ook niet zo gek. Onderzoeksbureau GfK heeft samen met CREM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu onderzoek gedaan naar duurzame modeaankopen van 16- tot en met 35-jarigen in Nederland. De ondervraagden geven aan dat je nooit zeker weet of iets duurzaam geproduceerd is en kunnen lastig goede informatie vinden. Volgens Ruigrok wordt er veel aan green washing gedaan. Dit wordt door grote bedrijven gebruikt om zichzelf goed in de markt te zetten, terwijl het niks voorstelt. Gebakken lucht dus. “Bij H&M maakten ze reclame voor gerecyclede kleding. Dat wordt in een kleine oplage geproduceerd, waardoor het vaak uitverkocht is zodra je de winkel bezoekt. Door de goede marketing die ze hebben, koop je toch andere items. Ook hun conscious lijn is meer marketing dan dat ze het echt goed doen.” Onlangs maakte Ruigrok een berekening over het percentage gerecyclede kledingstukken in een winkel. “Éen kledingstuk per filiaal per week bij H&M is gereycled. De kledingindustrie is niet transparant. Het is dweilen met de kraan open.”

DUURZAME MODE SHOPPEN

Daarnaast ervaren consumenten verschillende drempels bij de aanschaf van duurzame kleding. Één van de barrières is de prijs van duurzame kleding. Slechts 4% is actief bezig met duurzaamheid tijdens het shoppen. De rest heeft geen intentie z’n koopgedrag aan te passen. Sommigen zijn zich bewust van de impact, maar vindt het te lastig en tijdrovend of wil zich wel aanpassen, maar vindt de informatie te lastig verkrijgbaar. Dat de consument niet met duurzaamheid bezig zijn, is volgens Ruigrok niet gek. Ze haalt hier voor een onderzoek van gedragswetenschapper Anjo Travaille en duurzaamheidsdeskundige Lars Moratis aan over de psychologie achter duurzaamheid. Ruigrok: “Duurzaamheid is in het brein niet bezig. Het is bezig met overleven. Als wij moeten overleven, doen we alles, maar duurzaamheid speelt daar geen hoofdrol bij.”

Consumenten die meer kennis op dit gebied hebben, zij zijn bijvoorbeeld bekend met de keurmerken die er zijn, kopen vaker duurzaam. Dat geldt ook voor respondenten die zeggen zich (vaak) druk te maken over het milieu.

Heb je nog een middagje winkelen op de planning staan? Denk dan goed na of die leuke trui een echte toevoeging aan je oh zo volle kledingkast is. Volgens Ruigrok is kleding kopen net als het kiezen van een partner. “De hele stad loopt vol met singles, maar toch houd je het bij die ene persoon. Met een spijkerbroek zou dat net zo moeten zijn.”