De internationaal opgeleide Alexander Bezuijen (23) begon op zijn zevende met dansen. Vanaf zijn negende danste hij al zes dagen per week behoorlijk serieus. Wat zorgde voor de dansbreak bij dit talent van het Scapino Ballet Rotterdam?

Op je zestiende ging je naar een vier jaar durende dansopleiding. Wat veranderde er toen voor jou?
“Toen begon ik echt de pressure te voelen. Ik kwam op de dansopleiding en ineens zat ik met negen andere jongens in de klas. Plotseling voelde het voor mij alsof ik de slechtste was. Bovendien was je ver weg van je familie. Die stonden niet naast je om je te steunen. De andere jongens kwamen vaak uit een ander land, beheersten de taal slecht en hadden heel verschillende achtergronden. Dat was niet altijd even leuk. Dus ja, ik kwam daar en toen had ik een leraar die ineens niet meer zo gefocust was op mij, de enige jongen. Nee, er waren nu tien jongens…”

Kun je omschrijven hoe die klas eruit zag?
“Je moet je voorstellen, alle kamers waren wit. Je had zwarte maillots aan die eigenlijk voor jongens van twaalf waren, maar ze waren van een speciaal stretch materiaal. Je kreeg direct als huiswerk om die maillots met wat elastieken zelf te naaien. Dan moest je die maillots optrekken tot onder je tepels. Daarboven droeg je een heel kort shirt, dat tot boven je navel kwam. Zo creëerde je hele lange zwarte benen en een witte bovenkant. Je balletschoenen moesten één maat kleiner zijn dan je eigen maat, zodat ze strak zaten. Deze moest je wederom zelf naaien. Alles was dus strak op je lichaam, je voelde je strak. Alle tien de jongens hadden dezelfde afstand tussen hen in en de vorm was voor iedereen hetzelfde. Iedereen moest er hetzelfde uitzien. Er was een standaard voor alles.”

Wat als je niet aan die standaard voldeed?
“Dan werd je gestraft en werd er tegen je geschreeuwd. Je moest gewoon aan die standaard voldoen. Je had geen keus. Als je het niet deed, werd het alleen maar erger en erger. Je werd dan in een vicieuze cirkel geduwd. Ze waren erg sadistisch en wilden je leven alleen maar erger maken als je slecht was. Deed je je werk niet goed, dan gingen mensen op een slechte manier naar je kijken en kreeg je een bepaalde blik van ze.”

Werd dat geschreeuw naar jullie dan gewoon door jullie geaccepteerd?
“Je moet begrijpen dat wanneer een docent naar je schreeuwde, hij dat deed omdat hij je mocht en niet omdat die je niet mocht. Hij gaf om je. Als die niet zou schreeuwen, was dat omdat het hem niet boeide. Je wilde zijn aandacht, omdat je beter wilde leren dansen. Het was heel raar, want je verplaatste jezelf in die boze persoon. Die was niet echt boos, maar heel stijf. Alles was heel erg stijf. Ze wilden mensen die sterk waren en er werd van je gevraagd om altijd je grenzen te verleggen. Door je grenzen te verleggen, vond er verandering plaats.”

Dat klinkt als een behoorlijk zware klus.
“Dat klopt. We gingen er dusdanig voor, dat we eigenlijk onze botten verschoven door de druk van onze spieren en de dagelijkse training. Je gaf elke dag alles wat je kon en je zweette liters en liters. Dat was gewoon een routine. Iedereen dacht daarom dat het heel normaal was, ik ook.”

Hoe ging jij dan om met die stijve manier van lesgeven?
“Nou, ik was toen niet zo blij met mijn leraar. Op de een of andere manier had ik het gevoel dat hij mij niet kon helpen. Ik was erg lost, omdat ik niet echt wist hoe ik beter kon worden. Ik had ook niet iemand voor me staan die me beter liet voelen, die me op een goede manier begeleidde. Na twee jaar was ik dus behoorlijk de weg kwijt en ik nam toen ook wat afstand van mijn verleden, mijn ouders en dat soort dingen. Dat was wel een punt waarop ik dacht van: ik moet mezelf weer zien te vinden. In het derde jaar van de opleiding, kreeg je het hoofd van de school. Ik kreeg na die twee jaar dus de director als docent en deze man was gek. Zo ontzettend streng, het was insane. Hij zei altijd: ‘Wij kijken niet naar centimeters, wij kijken naar millimeters’, dus hij paste je vorm volledig aan.”

Dat was dan nogal een verwachting waaraan je moest voldoen, op zo’n jonge leeftijd.
“Precies. Op dit punt was het level zo hoog, dat het level altijd te hoog voor je was. Het was gewoon gestoord. Hij pushte je, hij maakte je gek en liet jongens in één seconde huilen. Zag hij een jongen huilen, dan zei hij: ‘Ben je zo’n mietje, dat je huilt waar iedereen bij is?’, dus je kon maar beter niet huilen…”

Heb jij ooit gehuild?
“Nee, ik niet. Ik wilde altijd afstand nemen van die stijve houding en de strengheid van de school, want ik zag dat veel mensen de school verlieten als slachtoffers.”

Kun je uitleggen wat je daarmee bedoelt?
“Leerlingen gingen weg met de mentaliteit van: ‘Ik ben een slecht persoon.’ Ze keken altijd triest uit hun ogen, omdat ze elke dag ‘gestraft’ werden. Ik probeerde wat afstand ervan te nemen en probeerde het intellectueel te interpreteren. Ik wilde het niet alleen emotioneel opvatten, maar als iets wat zorgde voor de beste versie van mijzelf. Met die instelling probeerde ik op mijn best te trainen. Andere jongens in mijn klas waren ook extreem intelligent en erg inspirerend. We pushten de leraren vaak om zichzelf in twijfel te trekken, maar bij de balletleraren was dat heel erg moeilijk, omdat er geen ruimte was om te praten. In balletles praatte je niet. Als de docent binnenkwam, dan begon je. Je voelde je heel gespannen, omdat je op het toppunt van je emoties zat. Zo was het één heel jaar lang. Je wachtte op de dag dat je kon relaxen. Dit werd telkens vooruitgeduwd naar de volgende dag, maar die dag kwam nooit.”

Dat klinkt als een extreem lang jaar dan…
“Ja, maar je bewonderde die director. Er was zo veel respect voor hem, omdat hij wist wat hij deed. Voor mij was hij de enige die wist wat hij deed. Hij was echt de enige genie van de hele school. Hij was zo intelligent. De director was zo inspirerend voor ons, dat iedereen bereid was om voor hem te werken. Bovendien respecteerde hij jou ook. Hij was alleen gewoon erg stijf over de manier waarop er gewerkt moest worden en hoe je je moest gedragen. Dat laatste was het belangrijkst, want de manier waarop je je gedraagt, komt ook terug in de manier waarop je danst en hoe je je beweegt. Het verschil tussen hem en de andere docenten zat hem in dat wanneer je tegen de director zei: ‘Ik heb pijn, ik ben geblesseerd’, hij zei dat je moest gaan zitten. Velen, als het niet alle anderen waren, werden boos. Zij zouden zeggen: ‘Waarom ben je geblesseerd, je zou niet geblesseerd moeten zijn’, zij zouden jou de schuld geven, zodat het jouw fout leek. Ze kwamen niet echt met een oplossing. Dat was echt verschrikkelijk, want we hadden schoolartsen op onze school, maar wij wisten dat hun antwoorden niet de normale antwoorden waren die schoolartsen zouden moeten geven. Wat zij ons gaven, waren alleen pijnstillers en ontstekingsremmers. Dat was hun oplossing. Eigenlijk ging je dus steeds maar door en door. Ze hebben mij maar één keer echt geholpen, omdat ik mijn grote teen brak.”

Konden jullie niet duidelijker aangeven dat je écht pijn had, of last van iets begon te krijgen?
“Op die leeftijd zat je teveel ertussenin. Je was geen kind meer, maar je was ook niet volwassen genoeg om al je beslissingen zelf te nemen. Je had geen familie daar, niemand die je kon vertrouwen. De schoolartsen kon je niet vertrouwen en je docenten hielpen niet als je geblesseerd raakte. Je werd alleen geholpen als het ging om je techniek en je vorm.”

Dat gevoel van lost zijn, verdween dat toen je de director als docent kreeg?
“Ja, het jaar ervoor was ik lost, omdat ik het idee had dat ik niet in de juiste vorm werd getrokken. Maar het jaar erna, het jaar met de director, was alles meteen duidelijk voor me. Vanaf de eerste dag. Dat was nogal een shock. Je had anderhalve maand vakantie, je kwam terug… BAM. Het was keihard, echt keihard. Ik weet nog dat ik één week te laat was, mijn klas binnenkwam en dacht: ‘Hoe moeten we dit doen, dit is veel te moeilijk?’ Ik vroeg de anderen of het zo al sinds het begin was. Zij zeiden: ‘Yes, better catch up!’ Maar ik was zo blij, want de director zag wat in mij. Hij zag dat ik het bij kon houden. Hij zag dat zijn manier van lesgeven werkte bij mij.”

Als je kijkt naar de psychische gesteldheid van de studenten, vind je dat de invloed van de begeleiding dan van belang is?
“Ja, absoluut, alleen je kiest je docenten niet… Je hebt zo veel dingen die je in wilt vullen. Je wilt docenten die in staat zijn alles te kunnen. Wat het meest belangrijk is, is de efficiëntie van de techniek, van het ballet. Dat wil je zien. Maar als het gaat om dansen als je job, is je gezondheid ook belangrijk. Alleen, je docenten hebben een andere baan. Hun baan is de techniek, het ballet. Natuurlijk is gezondheid ook voor hen belangrijk om aan ons te leren, maar dat weten zij niet. Zij hebben nogal een oude mindset, waarin dat niet erg is opgenomen. Veel van hen gingen vroeger ook gewoon door. Ik weet niet hoe, ik snap echt niet wat ze deden met hun gezondheid. Kijk bijvoorbeeld naar het leven van mijn director. Hij heeft zijn hele leven pijnstillers geslikt. Dat is echt ziek. Je ziet echt een gedrogeerd persoon, alleen waren zijn drugs pijnstillers. Hij heeft zijn hele lichaam vernietigd. Aan de andere kant is het hem gelukt om een van de beste dansers van zijn tijd te worden én het is hem gelukt om hardcore te dansen tot hij 42 was. Dat is echt laat, want veel van deze dansers stoppen als ze 28 zijn, omdat ze dan niet meer kunnen dansen. Dat is het ding, zij hebben nooit tijdens hun opleiding geleerd hoe je gezond moet dansen. Dit was mijn hoofdbezigheid. Ik was zo bezorgd om het feit dat ik op mijn 28e een operatie voor een plastic heup nodig zou hebben. Dat soort verhalen heb ik zo vaak gehoord en ik wilde dit gewoon écht niet.”

Dat klinkt alsof je heel bewust met je gezondheid bezig was, terwijl je dat extreme jaar tegemoet ging.
“Op dat punt was ik heel erg gelukkig in mijn leven. Ik had het gevoel dat ik mijn leven echt op de rails had. Wat ook zo mooi was, was dat deze leraar ons verder pushte dan we verwachtten. Het was zo mooi om te zien. Je stelde je als kind voor wat je later kon worden en deze man bracht je verder dan wat je dacht dat het beste was. Ik was heel dankbaar. Wat er gebeurde, is dat ik zelfs een solo kreeg in een eindejaarsvoorstelling. Ik werd erkend. Daarvoor ook, maar die Alexander wist niet wat hij moest doen. En nu, met deze nieuwe leraar, wist ik wel wat ik moest doen. Ik dacht: ‘Ik kan dit oppikken’, dat was zo’n fijn gevoel. Hij was heel stijf, maar ik begreep nu waarom hij zo stijf was, waardoor hij niet meer stijf bij mij hoefde te zijn. Bij sommige mensen bleef hij keer op keer corrigeren en bij mij merkte hij dat ik het al wist. Aan de andere kant was hij ook heel hard voor ons, omdat hij zag hoe intelligent we waren in onze klas. Omdat wij vaak al wisten wat we moesten doen, gingen we alles herhalen. Met deze docent veranderden we ons rooster, onze manier van werken. Het was wel echt gekkenwerk. Alle oefeningen waren zó intens.”

Hoe hield je dat dan vol?
“Dat is de schoonheid. Je realiseerde je dan pas dat je het gewoon allemaal kunt. Je wist alleen niet dat je het kon.”

Na het succesvol afronden van zijn opleiding heeft Alexander audities gedaan bij verschillende gezelschappen. Ondanks een heftige rugblessure door overbelasting, belandde hij uiteindelijk bij het Scapino Ballet Rotterdam.

Mocht je direct dansen bij dit gezelschap?
“Ja, er was niks om over te klagen, want je kreeg wat je wilde, solo’s. Alleen, sinds mijn blessure was er één ding waar ik niet blij mee was, namelijk: de strengheid. De pressure bij al die plaatsen. Ik begrijp dat er een bepaald level is, je moet in shape zijn en je moet goed zijn, maar ik ben het niet eens met de manier waarop je daar komt. Iedereen denkt dat je ballet the old way moet doen, elke dag. Ik ben daar klaar mee. Van elke dag ballet dansen, raak ik geblesseerd, verveeld en ik vind het niet leuk. Ik wil mijn eigen warming-up doen, wanneer ik dat wil. Ik wil ballet dansen, wanneer ik ballet wil doen.”

Wat zorgde er dan voor dat je nu in je dansbreak zit?
“Bij Scapino waren ze niet erg precies en wilden ze de dansers graag de vrijheid geven om op te warmen. Op de een of andere manier was de vrijheid die ik nam te veel en dit gaf de andere dansers het gevoel dat ik niet serieus genoeg was, als het ging om regels. Er waren regels die daar langer waren dan ik, maar ik kwam daar aan en pakte mijn vrijheid.”

Werd er toen aan je verteld dat dat niet de manier was hoe het daar werkte?
“Nee, ze zeiden het mij helemaal niet. Het kwam plotseling, allemaal tegelijk. Het was erg raar. Ineens zeiden ze: “Je hoeft hier niet blijven”, zonder dat het eerder duidelijk was gemaakt. Het is een hele vreemde wereld, met een hoop verrassingen, maar het is oké. Ik ben niet verdrietig. Toch vind ik het niet echt leuk, want ik had graag wat meer gedanst voor ik op mijn stop ging.”

En dat allemaal vanwege het niet volgen van de zogenaamde regels?
“Nee, niet alleen dat, maar met name dat. De director was oké. Ik heb het gevoel dat regels belangrijk zijn voor hem, maar niet het meest belangrijk. Hij voelde, geloof ik, de pressure van anderen. Hij voelde dat anderen zoiets hadden van: “Er is een jongen die de regels moet volgen.” Er is een spanning, een soort spel. Ze praatten slecht over me, want mensen hadden een bepaald idee over mij. Ze dachten dat ik niet gelukkig was en niet om anderen gaf. Maar dat was helemaal niet zo. Dit was een grote les voor mij, want ik realiseerde me dat mensen mij anders lezen dan ik echt ben. Het was echt shocking, toen ik hoorde wat mensen zeiden en ik ze mijn kant van het verhaal vertelde. Zij reageerden toen van: “Ik zag je acht maanden lang aan voor een bepaald persoon en nu je dit zegt, zie ik compleet iemand anders.” Daarna hadden we een prima tijd samen, maar het was te laat, het was weg. De kans was weg, jij bent weg. Ik kon niet langer blijven.”

Wat deed je toen?
“Ik zag het als iets wat ik al langer wilde, maar waar ik nu de kans voor kreeg. Ik heb mijn hele leven gedanst en nu kon ik een pauze nemen. Of ja, het is niet echt een pauze, ik dans wanneer ik wil, maar ik heb het nu vijftien jaar gedaan, zes dagen per week, acht uur per dag. Ik ben nu ook benieuwd wat er gebeurt op de wereld, want dat zie je niet. Je was in de studio en je trad op. Je had duizend mensen voor je, je herkende er niet een. Je eindigde je show en heel soms kwam er dan iemand naar je toe die zei: ‘Je hebt een goede show neergezet.’ Iets anders kreeg je niet echt.”

Dus je kreeg niet veel erkenning als danser?
“Ja, zo voelde dat voor mij. Ik wilde heel graag erkenning en contact met mensen. Voor wie dans ik? Ik werk al mijn hele leven voor mensen met wie ik geen contact heb. Ik weet niet wat zij denken. Ik zie ze na de show over iets anders praten dan de show. Dan vraag ik me af: “Wat heb ik voor hun gedaan?” Je werkt maanden om een show van één uur te maken en je krijgt er niets voor terug. Ik stond zo veel onder druk en heb een nieuw bewustzijn gecreëerd over hoe ik mijn lichaam moet bewegen. Ik voelde altijd dat het te veel ballet was, althans, voor mij was het te veel. Bij ballet train je je lichaam altijd op één manier en dan staat je lichaam het niet toe om te bewegen op een andere manier. Het is dan erg moeilijk om veranderingen toe te laten en dat was mijn probleem, want ik wilde verbeteren en veranderen, maar deze verandering kon alleen plaatsvinden als ik dingen ging laten. Het ging niet meer alleen om ballet, maar om het veranderen van mijn lifestyle. Wat doe ik in mijn leven? Sommige mensen werken op een manier en houden hier heel erg aan vast. Ze doen dat al heel hun leven, dus het moet zo blijven. Alleen, mensen kunnen verschillen van mening en dat is waar ik een beetje bedroefd om ben. Mijn mening werd niet gerespecteerd. Of ja, dat werd die misschien wel, maar uiteindelijk moest ik het werk gewoon doen volgens hun regels.”

Hoe probeer je met deze kijk te werken?
“Ik focus mij op de omgang met mijn eigen lichaam. Ik moet zeggen dat de eerste vier maanden echt hemels waren, mijn lichaam had zoiets van: ‘Wauw, geen stress!” Ik kan doen wat ik wil, voel me vrij en heb vrije tijd. Ik kan van mijn dag genieten, maar het is een lang proces. Ik maak veel werk van mijn eigen gevoelens en ik realiseer me dat ik deze laatste zes maanden droom over situaties waarin ik terug op mijn oude school ben, om de stress die ik daar heb ervaren opnieuw te beleven en er op een of andere manier vrede mee te sluiten. Dus eigenlijk, diep in mij, ben ik nog steeds getraumatiseerd door die school. Daar werd zo veel gespeeld met je mening. Ze speelden met je emoties en gevoelens. Je werd geleerd dat je slecht voelen, de goede weg is. Ik heb in deze dromen dat ik ineens denk dat ik weer iets voor hen moet doen.”

Heb je een soort plotselinge realisatie?
“Ja, want waarom dans je? Dat is iets wat zó fragiel is. De wil om te dansen kwam vaak als een vonk en stierf snel weer weg. Ik had de wil om te dansen, maar zodra ik begon te dansen en ik halverwege het programma was, voelde het alsof ik moest dansen. Je moet, moet, moet, terwijl dansen niet iets is wat moet. Het gaat om plezier, vrijheid en nieuwsgierigheid. Het is met name een licht gevoel in het hart en dat ging snel verloren. Zeker in de laatste jaren. Sinds ik uit deze programmering ben gestapt, zijn er een hoop reflecties gaande in mij. Er is geen ‘hoe moet ik dansen’, maar hier heb ik tot nu toe wel mijn hele leven naar geleefd. Ik denk dat als ik in een gezelschap was gebleven, ik misschien niet met dezelfde ideeën was gekomen, omdat ik dan nog steeds vast zou zitten in het systeem.”

Heb je ooit professionele hulp gehad, vanwege deze gedachtes?
“Ik sta altijd open voor praten, maar tijdens mijn opleiding was ik nog deel van ‘de ziekte’, waardoor ik mij niet realiseerde dat ik deze gedachtes in me had. Ik had nooit gedacht dat ik zo diep getraumatiseerd zou zijn.”


Alexander (midden achterin)